Derde symposium: perverse prikkels nog steeds op de agenda

maandag 21 maart 2016 | René Rector, Sciencestories.nl

De wetenschapsbeoefening in Nederland wordt op de verkeerde manier geprikkeld en dat leidt tot allerlei misstanden. Dat was de boodschap van Science In Transition, drie jaar geleden. Maar hoewel de analyse inmiddels wel door een aantal beleidsmakers en bestuurders wordt omarmd, blijven grote veranderingen uit, bleek in Amsterdam op het derde Science In Transition-symposium, dinsdag 15 maart. (Foto-impressie en een samenvatting in tweets.)

De premisse in het Trippenhuis was dat de echte verandering bij universiteiten zelf vandaan moet komen. De 150 wetenschappers en belangstellenden die op het symposiumwaren afgekomen, kregen een keur aan sprekers voorgeschoteld, die elk vanuit een ander vertrekpunt telkens in die richting wezen. Het probleem waarvoor SiT een oplossing zoekt, is dat wetenschappers niet meer geleid worden door interessante en relevante vraagstukken, maar veeleer door de mogelijkheid ergens een publicatie over te schrijven, omdat ze dáárop beoordeeld worden. Het gaat daardoor niet meer om kwaliteit, maar om kwantiteit.

SiT staat in haar opvattingen niet alleen. December 2014, tijdens het vorige symposium, ondertekende Karl Dittrich van de VSNU nog de San Francisco Declaration, waarbij sympathisanten zich kunnen committeren om iets aan min of meer dezelfde misstanden te willen doen. Sinds dat symposium werd SiT met regelmaat aan rondetafelgesprekken uitgenodigd, zo vertelde Wijnand Mijnhardt (SiT, Descartes Center) in de introductie. “We hebben het discours naar onze hand gezet”, stelde hij. Maar om nu te zeggen dat het roer was omgegaan… nee. Universiteiten waren eerder meer geneigd om te letten op kwantiteit dan minder, betoogde hij in een analyse waarin hij vooral van leer trok tegen management by numbers. (Lees op ScienceGuide de hele bijdrage.)

Veel opgelegd van boven
Frank van VreeFrank van Vree, decaan van de faculteit der geesteswetenschappen van de UvA, schetste de gevolgen van de gewraakte focus cijfers: de hang naar administratieve beheersbaarheid en kwantificering van onderwijs- en onderzoekssucces hadden binnen zijn faculteit geleid tot de ene na de andere koerswijziging, met als gevolg dat docenten op hun tandvlees liepen en studenten uiteindelijk het maagdenhuis bezetten met als doel het kwalitatief onderwijs te krijgen waarvoor ze hun collegegeld betaalden. Van Vree: “De keuzemogelijkheid om zelf je doelen te bepalen is heel klein geworden. Veel wordt gewoon van bovenaf opgelegd.” (Download zijn presentatie.)

james wilsdonJames Wilsdon, hoofdauteur van het rapport ‘The Metric Tide’ benadrukte nog eens de juistheid van het SiT-kroonjuweel: publicatie-aantallen en rankings (metrics, in jargon) zijn notoir onbetrouwbaar om de kwaliteit van een onderzoeker te bepalen. Ironisch genoeg reageerde het Britse ministerie van OCW op die analyse geheel volgens de management by numbers-filosofie met een plan om een externe controleur aan te stellen die zou moeten bezien of universiteiten wel de juiste metrics hanteren.

Verkeerde prikkels, maar niet van de overheid
De middag was bedoeld om te zoeken naar oplossingsrichtingen. Barend van der Meulen van het Rathenau-instituut trok de sluier alvast op die nog over het onderzoeksrapport ‘Chinese borden’ lag, een rapport dat een dag na het symposium stond te verschijnen. (Download de presentatie van Van der Meulen; lees het verslag van ScienceGuide; of bekijk het hele rapport.) Van der Meulen legde de verantwoordelijkheid voor het verkeerd prikkelen – en daarmee ook de mogelijkheid om het systeem te veranderen – vooral bij de universiteiten zelf. “De overheid prikkelt nauwelijks. Zelfs niet de zo vaak besproken ‘promotiebonus’ is geen bonus. Het is geen extra geld. Het aantal promoties is een van de parameters op basis waarvan een vaste som geld verdeeld wordt.” Dat de índruk bestaat dat de overheid steeds meer wil sturen, kon hij wel verklaren: het tweede geldstroomgeld uit Den Haag en Brussel is geoormerkt, en moet in toenemende mate gematcht worden door de oormerkvrije geldbuidel die de universiteiten rechtstreeks van OCW krijgen. Daardoor wordt de vrije inzet van middelen wel erg beknot.

De ‘promotiebonus’ onderstreept hoezeer het probleem van de perverse prikkels die SiT zo dwars zitten, alleen maar op de werkvloer kan worden opgelost. Als álle universiteiten het aantal promovendi zou halveren, zouden ze allemaal nog precies evenveel ‘promotie’-geld krijgen en zouden hoogleraren weer tijd over hebben om een deel van het onderzoek zelf uit te voeren. Maar zoals de universiteiten het percipiëren, loont het om zoveel mogelijk promovendi aan het werk te zetten. Het gevolg, zo stelde Sicco de Knecht, zelf promovendus aan de UvA, is dat het ondersteunend personeel inmiddels bijna verdwenen is, promovendi ondersteunende taken moeten doen en een onderzoekslijn bij gebrek aan overdracht vaak aan het eind van een promotie sneuvelt. “We moeten weer vragen gaan stellen. Of de begeleiding van een promovendus geborgd is, bijvoorbeeld. Dat zoveel promovendi in de knel zitten, is een systeemfout die ingebakken zit in hoe onderzoek nu georganiseerd is.” (De column op ScienceGuide of als Word-document.)

“Wetenschapsagenda: alsof een kind z’n schoen voor Sinterklaas mocht zetten”
Voor wie liever niet teveel tornt aan z’n personeelsbeleid, is er ook nog de mogelijkheid inhoudelijk onderwerpen te adopteren die de samenleving belangrijk vindt. Een panel debatteerde een uur lang over de Nationale Wetenschapsagenda. Het panel was kritisch. “Dat proces is een beetje alsof een kind z’n schoen mocht zetten en dan zou Sint er wel iets in doen”, verwoordde Trudy Dehue (RUG) de problematiek rond de agenda. De samenleving was hier niet in dialoog met wetenschappers, maar diende een verlanglijstje in. Het oogt leuk voor de publiciteit, maar het is niet de manier om meest prangende onderwerpen op de onderzoeksagenda te krijgen. Het kwalijke bij-effect, zo vond panellid Hedwig te Molder (WUR), was dat in de samenleving door de wetenschapsagenda het idee was ontstaan dat wetenschap op afroep gereedschap kon ontwikkelen om praktische problemen op te lossen – een opvatting over wetenschap die vijftig jaar geleden al ouderwets was. Al met al was de agenda als poging om de kloof tussen wetenschappers en de samenleving te dichten en daardoor ook de kwaliteit van onderzoek te vergroten tot op heden nauwelijks geslaagd.

Bestuurders aan zet
Meer succes is te verwachten zodra je je onderzoeksambities bijstelt en meer nadruk legt op onderwijs, zo betoogde Barbara Oomen, decaan van het Roosevelt University College in Middelburg. Deze autonome loot aan de boom van de Universiteit Utrecht heeft een hoog percentage vaste aanstellingen en betrekt bachelorstudenten in hoge mate bij haar onderzoek, waardoor in de praktijk en de kritische houding wordt bijgebracht waarvan de zaal vond dat die toch het belangrijkste kenmerk van de academische gemeenschap was.

IMG_0425 (Medium)Er is keuzevrijheid voor bestuurders van universiteiten en faculteiten, vonden de deelnemers aan het slotdebat. “Zelfs als het van bovenaf opgelegd wordt, kun je zeggen: ‘Dit gaan we niet doen.’ Dat win je niet altijd, maar je verliest het ook niet altijd”, stelde José van Dijck (KNAW). Frank Miedema (SiT, decaan UMC Utrecht) was na een dag lezingen tot de conclusie gekomen dat de wetenschappers en hun bestuurders zelf aan zet zijn. “Het is een leap of faith, maar die stap moeten we zelf zetten. Ik moet hard kunnen maken naar mijn mensen dat er niet over vier jaar weer een andere wind gaat waaien en de Hirsch-index ineens toch weer het leidende criterium wordt. Dat vertrouwen moeten we in elkaar hebben. Dat kan alleen maar als we het met een stuk of veertig decanen in hetzelfde vakgebied zelf besluiten.”

Science in Transition: universiteitsbestuurders moeten grenzen stellen“, aldus het Hoger Onderwijspersbureau over het symposium.

Meer foto’s van het symposium.

« terug naar overzicht

Geen reacties